woensdag 22 mei 2013

Tweestrijd

We zitten samen in jouw auto. Een oud barrel dat altijd met de hakken over de sloot door de jaarlijkse keuring komt. Mijn handen omklemmen het stuur zodanig dat mijn knokkels wit worden. In de verte gaat de zon onder echter de zinderende hitte hangt als een deken over de stad die in de verte zichtbaar is. Ik zwijg zo hard ik kan en voel mijn tranen branden. Wat ben je toch eigenlijk een stomme klootzak! Ik verschuil de tranen in mijn ogen achter een grote zonnebril, eentje die mijn halve gezicht maskeert zoals een masker uit Venetië. We staan ergens op een verlaten parkeerplaats tussen twee dorpjes in. Een lome hitte hangt rondom ons maar toch voelt het ijskoud. Waar ben ik je kwijt geraakt? Waar zijn onze wegen van elkaar gescheiden? Ik wrijf over de knop van de versnellingspook, mijzelf geen houding weten te geven. Op mijn lippen kleven 1000 woorden die geruisloos verdrinken in de stilte van gemis. In de stilte van samen één, in het eindeloze niet te bevatten iets wat al een tijd zich meester heeft gemaakt over jou en mij.

Mijn gedachten gaan vliegensvlug van hort naar haar. Zoekend naar iets waarvan het bestaan nog ontdekt moet worden. Wie ben ik? Wat wil ik? Waarom raak ik steeds weer verzeild in deze bizarre, pijnlijke en wonderlijke situaties? Je zou kunnen stellen dat de mens als was is, kneedbaar. Al is de was nog zo koud, als je maar lang genoeg geduld hebt wordt ze kneedbaar. Soms maar in beperkte mate maar van cement is de mens slechts bij zeer hoge uitzondering. Ik stel mij dan een professor voor, ergens in een stoffig kamertje tussen de boeken en meetinstrumenten dat zelden of nooit buitenkomt. Enkel om een goede krant te kopen of een espresso omdat hij, als genie, niet instaat is de koffiezetter te bedienen.

Ik hoor hoe je gaat verzitten. De stoelen hebben hun langste tijd gehad, net als jij en ik overigens maar noch jij noch ik durven deze gedachte uit te spreken. Ik wrijf met een vinger over het dashboard en laat een spoortje na in het stof dat er zich heeft verzameld in de tijd dat je deze voor het laatst hebt gezegend met een nat lapje. Het ruikt er zelfs naar jouw shag die ik altijd heb gehaat, maar waar ik nu door een niet te verklaren reden naar verlang. Het lijkt alsof ik zonder te kijken kan zien dat je er eentje zit te rollen. Gewoonte getrouw vraag je of ik er ook eentje wil. Een soort geautomatiseerde misplaatste beleefdheid omdat je weet dat ik niet rook. Misschien heb je al die tijd wel gedacht dat eens dit antwoord ging komen en dat we dan op een kritieke, dodelijke en haast onomkeerbare situatie waren beland. Ons was op sterven na dood. Ook nu vraag je me, tot mijn grote schrik bemerk ik hoe mijn lippen als vanzelf het woord "Ja"vormen en alsof iemand anders het zegt hoor ik het. Ik heb "ja" gezegd. Is dit het einde van wat ooit zo vertrouwd was? Van wat ooit vanzelfsprekend was? Van wat ooit niet meer was dan een suikerzoete streling? Zintuig prikkelend zoals de geur van verse croissantjes op een morgen dat je wakker wordt met een rammelende maag.

Zonder iets te zeggen geef je mij een vers gedraaide peuk en diep je uit je broekzak van jouw versleten spijkerbroek een aansteker op. Hij weigert twee keer maar dan is er toch een vlammetje. Een oranje puntje licht op en alsof ik al jaren niet anders doe inhaleer ik diep en blaas een grote rookwolk uit zonder in een haast astmatische hoestbui paars aan te lopen. Ik hoor hoe je de jouwe aansteekt en niet veel later is de oude Opel vergeven van de rook. Op jouw vraag en mijn antwoord na is er tussen ons nog altijd geen woord gewisseld. De vraag van waar het mis is gegaan is door alle toestanden amper te beantwoorden. We zijn uit elkaar gegroeid maar hoe kan dat nu gebeuren als je eerst zo naar elkaar bent toegegroeid? We zijn op een bepaald moment begonnen met het vervreemden van elkaar en zijn daar kennelijk niet mee gestopt tot nu. Zoals wanneer je met je bootje gaat varen en bij een metershoge waterval belandt die het gevoel naar boven roept dat dit het einde van de wereld is en dat er daarna niets meer is.

Verdoofd sta ik voor mij uit, blaas de rook uit het open raam. Ondanks dat het raam aan de bestuurders kant heel zwaar loopt is het mij toch gelukt. De lucht is vuurrood gekleurd en de dag maakt plaats voor de nacht. De krekels voeren hun acte de presence uitstekend uit. Ik zucht, zoek naar de woorden die pan klaar op mijn tong liggen. Waar zijn we in Godsnaam mee bezig? We weten het wel, maar het antwoord bevalt ons geen van beiden. Jij bent de man, jij moet beginnen maar onze moderne kijk op het leven maakt dat wij allebei het traditionele man-vrouw concept zeer achterhaald vinden.

"Waarom kom jij nooit jouw beloftes na" hoor ik mijzelf zeggen en schrik van deze directe vraag naar de alles overheersende stilte. Ik wacht gespannen op het antwoord en kan je wel wurgen als je enkel jouw schouders ophaalt. Zoals ik al zei "Stomme klootzak" Wat heb ik er aan als jij enkel jouw schouders ophaalt? Jij die altijd en eeuwig een woordje klaar had haalt nu, doodeenvoudig zijn schouders op? Ik voel de woede in mij opborrelen en inhaleer bijna gewelddadig. Blaas de rook krachtig uit en snuif een keer. Niet zoals een vrouw dit betaamd. "Waarom niet? Is het dan zo moeilijk om antwoord te geven op die vraag?" Ik voel hoe je figuurlijk in elkaar krimpt. Ik voel hoe je nu, diep van binnen wilt vluchten als een klein kind achter moeders rok. Wees verdomme eens een vent en sta je mannetje! Toch weet ik dat je dat niet kan, dat je daar de ballen niet voor hebt en mijn voorkeur voor non-macho's breekt mij nu op. Je aarzelt, zoekt naar de woorden die ik helder voor mij zie. Dan zeg je, geheel tot mijn verrassing "Ik wil wel maar kan het domweg niet. ik ben een sukkel die niet waar kan maken wat hij beloofd" langs de ene kant vind ik je nu onnoemelijk aandoenlijk en wil ik je troostend in mijn armen nemen. Langs de andere kant vind ik je nu een ongelofelijke slappe zak en eis ik dat je een emmer voor mij haalt zodat ik grondig kan kotsen van dit weke en slome gedrag. Weer een tweestrijd die zich in mij zich afspeelt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Zo'n goeie hebben wij nog niet gehad.

Ik heb al even niet meer geschreven dus dacht ik: laat ik eens een liedje van commentaar voorzien. Wel nu, het wordt 's nachts na tweeën...